Regionale agenda 2020–2040Verkenning ruimtelijke arrangementen gaat door |
||
|
|
Overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties werken mee aan een regionale agenda voor de periode 2020–2040. Dit voorjaar verkennen zij de meest urgente en kansrijke arrangementen voor een gezamenlijke agenda. “In het najaar nemen we beslissingen”, zei voorzitter Mark Harbers aan het eind van een bijzondere vergadering van het Bestuurlijk Overleg Rijnmond (BOR) op 16 januari 2009. Centraal in de bijeenkomst stond een kringgesprek met zo’n dertig deelnemers: leden van het BOR, hun adviseurs plus vertegenwoordigers van organisaties, die nog geen deel uitmaken van het BOR. De deelnemers vinden het urgent om specifiek op regionaal niveau een tafel te hebben waar bestuurders een extra duw kunnen geven aan projecten, cruciaal voor een gezonde regio in de periode 2020–2040. Het gaat om vitale plannen waarbij stagnatie dreigt of die een stevige aanmoediging kunnen gebruiken. Wethouder Harbers van Rotterdam leidde als voorzitter van ROM-Rijnmond de bijeenkomst: “Het model ROM-Rijnmond is in het recente verleden geschikt gebleken om belangrijke projecten integraal uit te voeren. Het gebouwde netwerk werkte. De dubbele doelstelling bereiken rond PMR, waarbij economie en leefbaarheid hand in hand gaan, is gelukt. Die periode is afgesloten. Maar de opgedane kennis en ervaring willen we vasthouden, zonder dat we nu al weten welke organisatievorm precies past bij de nieuwe opgave. Wel bleek de afgelopen maanden dat een agenda op regionaal niveau urgent is. Mijn vraag is: doet u hieraan mee? Steunt u deze investeringsstrategie voor de middellange termijn?” DebatIn de discussie werd gereageerd op een presentatie van Guus van de Hoef, de directeur van ROM-Rijnmond. Hij had de resultaten toegelicht van een verkenning naar drie urgente Nieuwe Ruimtelijke Arrangementen. Onder leiding van Ellen Peper van Twynstra Gudde wordt vastgesteld dat hiervoor een basis is. In het debat kwam naar voren wat drie nieuwe Ruimtelijke Arrangementen betekenen voor de deelnemers: de verschillende overheden, het bedrijfsleven en de maatschappelijke organisaties Erik van Heijningen, gedeputeerde Zuid-Holland: “Er is behoefte aan afstemming en coördinatie tussen de vele overlegtafels, die er zijn. Het combineren van ruimte met milieu, als dubbele doelstelling, moet uitgangspunt van een nieuwe tafel zijn. Projecten tot 2020 hoeven we daarbij niet te sturen. De relatie met duurzaamheid, zoals het Rotterdam Climate Initiative (RCI), is belangrijk”. Peter Mollema van Havenbedrijf Rotterdam: “Arbeid, wonen en de kwaliteit van het leefmilieu staan bovenaan onze agenda. Er liggen veel opgaven, er zijn ook veel potenties. Allemaal opgeteld kom je er nu niet uit wanneer ik zie hoeveel initiatieven op het gebied van economie gaande zijn. Ik zie een kans voor een nieuwe tafel die al het andere overleg gunstig beïnvloedt. Laten we daaraan werken!” Jan de Jong van het Zuid-Hollands Landschap, ook namens Natuurmonumenten, prijst de beoogde vorm van samenwerking die uitgaat van wederzijdse afhankelijkheid van de betrokkenen. Maar pas op, zegt hij: “Belangrijke projecten die op papier in 2020 klaar moeten zijn, zullen in de periode 2020–2040 nog midden in uitvoering zitten. Vertraging komt onder meer door bestuurlijke drukte”. Herman Wierenga van het ministerie van LNV signaleert dat de gevolgen van het advies van de Deltacommissie voor het gebied nog onduidelijk zijn. Hij wijst op het belang van de groen-blauwe transformatie in het Metropolitane park van Biesbosch tot Voordelta en benadrukt dat de rode opgave daarin moet worden meegenomen. Groen en rood moeten samen optrekken: “Initiatieven nemen op dit schaalniveau is goed.” De voorgestelde thema’s krijgen ook steun van Wytske van der Meij (ministerie van V&W). Wel pleit zij ervoor om vanuit de inhoud straks te beoordelen wie waarvoor aan de lat staat. Loes de Jong, Stuurgroep Zuidwestelijke Delta, brengt dilemma’s naar voren rond het verbinden van de wateropgave met ruimtelijk en economisch beleid. Ingrepen hebben langdurig grote gevolgen. Ook is er overlap tussen allerlei studies, verkenningen en plangrenzen. “Daar moeten we goed mee omgaan”, stelt zij. Jaap Wolf, namens de Stadsregio Rotterdam, steunt het initiatief: “Er is al veel overleg tussen overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, maar niet op dit niveau. Al is bijvoorbeeld in de Noordas wel al veel gedaan aan samenhang.” Maak geen ingewikkelde visies, maar neem wel goed de sociale component mee, is zijn advies: “Ik kom hiervoor graag”. Bertus Cornelissen van het ministerie van VROM geeft aan dat het bestaande programma RR2020 loopt, maar dat voor de langere termijn een platform nodig is: “De beoogde alliantie voor economische structuurversterking is daarbij van belang, maar ook een Havenalliantie en die voor Metropolitane Parken”. Hans Spigt, namens de Drechtsteden, vraagt specifiek aandacht voor veiligheidsvraagstukken, als gevolg van de groei van het verkeer over de weg en de rail. Daarnaast is het goed organiseren van mobiliteit zonder gebieden aan te tasten van groot belang. Zijn pleidooi: “Formuleer belangentegenstellingen scherp, want dan kun je vervolgens heldere keuzes maken.” Jan van den Heuvel, Milieudienst Rijnmond DCMR, ziet graag een hoofdaccent weggelegd voor de leefbaarheid. Leg niet teveel nadruk op alleen ruimtelijk-economische aspecten. “Leefbaarheid is belangrijk, als onderdeel van het aandachtsveld ruimte en milieu”, betoogt hij. Voor de periode 2020–2040 voorziet hij verdergaande doelen voor CO2-terugdringing. Ruimtebeslag en mobiliteit hebben hier mee te maken. Leefbaarheid-ruimte-economieMarco Rensma van de Kamer van Koophandel ziet de waarde vooral in de vorm van een soort “oliespuit” maar waarschuwt ook: “Iets extra’s tussen bestaande overleggen heeft gauw iets van een extra bestuurslaag. Een nieuw gremium moet stimuleren dat overheden echt samenwerken”, betoogt hij. Henk de Bruijn van Havenbedrijf Rotterdam geeft aan dat er zeker geen nieuw planfiguur bij komt. ROM-Rijnmond moet zorgen dat anderen samenwerken, letten op grensoverschrijdende verbanden: “Neem een plan als Deltapoort. Wat daar gebeurt moet een link hebben met wat bij Moerdijk gaande is.” Hans Bongers van het ministerie van EZ adviseert goed te kijken naar de gewenste ruimtelijke schaal: “Neem de roep om logistiek duurzamer te organiseren met meer multimodale voorzieningen. Die moeten dan wel zo worden aangelegd. dat het effect heeft op flinke verkeersstromen. Kijk dus naar de hele route naar Antwerpen.” Lichte netwerkorganisatie, stevige buitenboordmotorAan het slot vat Erik van Heijningen de ambitie samen: “We moeten een lichte netwerkorganisatie maken, die wel als een stevige buitenboordmotor werkt.” Onder leiding van Guus van de Hoef gaan de partijen in 2009 de ideeën verder uitwerken. Mark Harbers benadrukt dat de straks beoogde netwerkbijeenkomsten belangrijk zijn: “Er komt een tafel waar partners bestaande projecten bij elkaar brengen. En gezamenlijk aangeven wat nodig is om projecten een extra zet te geven. Welke nieuwe kansen zien we en hoe kunnen we die verknopen? In het najaar beslissen we over de organisatievorm die daarbij past.” |